Algemene gegevens

Hoofdstad Banjul
Oppervlakte 11.300 km2 (1/3 x Nederland)
Inwonersaantal 1,8 miljoen (2008)
Bevolkingsgroei 2,5% (2005- 2015)
BBP/cipita US$ 304 (2005)
Economische groei 5,5% (2005)
Handelstaal Engels
Grootste religies Islam (90%), Christendom (9%)

Ligging

Gambia ligt in West-Afrika, aan de Atlantische Oceaan. Met een oppervlakte van 11.300 km2 is het land ongeveer 1/3 van Nederland (en bijna 1/3 van België). In feite is het een lange strook land, doorsneden door de gelijknamige rivier. Deze ontspringt op het Foeta Djallonplateau in Guinea en stroomt via Senegal en Gambia naar de Atlantische Oceaan. Het land is nauwelijks breder dan 35 kilometer, met uitzondering van de kuststrook, die ongeveer 70 kilometer haalt, de ingang tot de rivier Gambia daarbij inbegrepen. Vanaf het uiterste westen tot aan de oostelijke grens met Senegal is de afstand, hemelsbreed gemeten, circa 320 kilometer, over de weg vanaf Banjul ruim 400 kilometer. Gambia ligt ten noorden van de evenaar, op ongeveer 13 graden noorderbreedte en op 13 tot 16 graden westerlengte. Dat is bij benadering net zo ver van de evenaar als bijvoorbeeld Curaçao, Bangkok of Manila. Het wordt aan drie zijden ingesloten door Senegal, een land dat ruim 17 keer zo groot is en waarmee nauwe banden bestaan.
Het landschap is licht glooiend. Er komen wat heuvels voor maar die zijn nauwelijks als zodanig herkenbaar. Op een enkele uitzondering na gaat het meestal om, wat wij noemen, ‘vals plat’. Het hoogste punt ligt ten noorden van het landinwaarts gelegen Basse Santa Su, en bedraagt ruim 46 meter!

Klimaat
Klimatologisch vertoont het minder overeenkomsten met de eerder genoemde plaatsen als uit de ligging opgemaakt zou kunnen worden. Uit de opgenomen klimaattabel blijkt dat de temperatuur tamelijk constant is. Als er weinig wind staat of de wind waait uit het oosten, komt de warmte vaak drukkend over, maar na een paar dagen ben je daar wel aan gewend. Als de wind van de oceaan waait heerst er aan de kust een ideaal klimaat. Vooral gedurende het droge seizoen, waait de wind uit het noordoosten. Hij voert warme lucht aan vanuit de Sahara, wat dankzij het koelere oceaanwater tot aangename waarden daalt. In het binnenland is de temperatuur tijdens het droge seizoen bijzonder hoog. De relatieve luchtvochtigheid valt, met uitzondering van de regentijd, wel mee. Gambia heeft een subtropisch klimaat met een duidelijk verschil tussen het droge en het natte seizoen. Gedurende de regentijd vallen de (soms hevige) regenbuien vooral (maar lang niet altijd) in de middag en avond. Vanaf december tot en met april schijnt de zon vrijwel onafgebroken. In mei en november (soms ook nog in december en januari) wil er nog wel eens wat lichte sluierbewolking voor de zon trekken, waaruit soms een spatje regen valt.

De grootste luchtvochtigheid werd in augustus gemeten, de 95% werd gemakkelijk gehaald, in januari werd soms slechts 25% gemeten. Ook zijn er wel temperaturen waargenomen in juni en juli tussen de 35 en 40 graden Celsius. In april/mei wordt in het binnenland, vooral op de noordoever van de rivier Gambia, een temperatuur van 40° C soms met gemak overschreden.

In de eerste maanden van het jaar komen in de Sahara zandstormen voor. De wind waait dan in de richting van Gambia. De kans dat je moeilijkheden ondervindt van een zandstorm is echter uiterst gering. De wind bereikt via de oceaan het land en brengt meestal alleen extra verkoeling. Soms echter voert de wind in de hogere luchtlagen fijn zand aan, zó fijn dat je kunt spreken van stof. Dit schermt niet alleen de zon af maar het kan er zelfs toe leiden dat het voeren van licht in het verkeer overdag zinvol is. Bovendien kan het benauwd zijn. Doorgaans is de lucht na een dag of drie weer opgeklaard.

Net als in ons land ontstaan bij warmte kleine windhoosjes. In Gambia noemt men ze Tonkolong, wat zoveel betekent als: de duivel verplaatst zich. Een Gambiaan zal zoveel mogelijk vermijden door deze windhoosjes te lopen of te rijden. In veel namen van plaatsen in het binnenland komt je het woord Tonkolong eveneens tegen.

Flora
Gambia ligt in de subtropen. Dat betekent dat er letterlijk van alles groeit en bloeit. Er is een grote verscheidenheid aan vegetatie. De bomen zullen het meest opvallen. Je treft hoofdzakelijk palmen aan, waarvan de kolapalm het best vertegenwoordigd is, maar ook kokospalmen zijn volop aanwezig. Je zult de palmen het gemakkelijkst herkennen, maar de grillig gevormde stam van de mahonieboom en de (minder voorkomende) kaarsrechte stam en de grote bladeren van de teakboom zullen je evenmin ontgaan. En wat te denken van de enorme katoen- of kapokzijdeboom? Verder zul je de mango cashewnootboom in het gehele land aantreffen. Toch zijn zij niet zo verweven met Gambia als de boom die, bij ieder die hem ziet of zich verdiept in de geschiedenis en de cultuur van het land, wel tot de verbeelding moét spreken: de baobab- of apenbroodboom.

De baobabboom (ook wel schors- of bastboom genoemd) is de meest markante én de meest besproken boom in Gambia. Aan deze boom worden mystieke eigenschappen toegekend. Er wordt beweerd dat de baobab het oudste organische wezen in Afrika, of zelfs op aarde is. Gemiddeld wordt deze boom zo’n 16 – 17 meter hoog, waarmee het nog niets bijzonders is in onze ogen. De stam maakt hem markant (reden om hem ook wel flessenboom of onderste bovenboom te noemen). Met een omtrek op de breedste plaats van zo’n 9 meter is de baobab gemakkelijk te herkennen, temeer omdat de stam in veel gevallen grillig van opbouw is, alsof er een aantal stammen met elkaar vergroeid is. De boom en zijn producten worden voor velerlei doeleinden gebruikt. Hij kan gemakkelijk duizend jaren oud worden en wordt bijna nooit omgehakt, tenzij hij dood is. Veel dorpen en compounds zijn rond een baobab gebouwd.

Vanwege de vele gebruiksmogelijkheden is de boom van onschatbare waarde voor de inlandse bevolking. De schors bijvoorbeeld, wordt gekookt om er een bestrijdingsmiddel van te maken tegen malaria. Van dezelfde schors worden stroken afgetrokken om er iets mee vast of dicht te binden en de handige Gambiaan maakt van die stroken zelfs kleding. Verder wordt de bast gebruikt als verpakkingsmateriaal voor iets wat langer bewaard moet blijven. Nu kun je je afvragen waarom de boom niet dood gaat nadat men hem van de schors heeft ontdaan. De belangrijkste reden dat een baobab zo oud wordt is gelegen in het feit dat de boom in staat is om nieuwe schors aan te maken waardoor parasieten geen kans krijgen in de kern van de boom door te dringen wat bij veel andere bomen onverbiddelijk de dood van de boom ten gevolge zou hebben.

De vruchten van de baobab zijn steenachtig, maar zowel het vruchtvlees als de zaden zijn eetbaar. Gemengd met water en suiker wordt het sap van de vrucht gebruikt als middel ter bevordering van de bloedsomloop en ook de stoelgang wordt erdoor gestimuleerd. Niet teveel van snoepen dus. Maar, voordat men aan het sap van de vrucht toe is, moet er nog wel iets gebeuren. Zoals gezegd, de vrucht is steenachtig en er moet een zwaar voorwerp aan te pas komen om hem te openen. Om dat zodanig te doen dat alle bestanddelen onbeschadigd te voorschijn komen, is een hele kunst. Voor de apen, want die zijn ook verzot op de vruchten, is dat geen probleem. Ze slaan met de vrucht op een steen, net zolang tot er een gaatje ontstaat waaruit het sap komt. Als het sap gedronken is, wordt de vrucht op dezelfde manier verder gesloopt. De vruchten hebben dan ook de inlandse bijnaam: ‘apenbrood’. Hiermee is de naam apenbroodboom meteen verklaard. De eetbare bladeren worden gebruikt om een middel tegen reumatiek van te maken, de bloemen dienen als decoratie.

Als er een baobab dood gaat of om een andere reden omgehakt moet worden, dan worden de stam en sommige dikke takken gebruikt om er kano’s en zelfs vissersboten van te maken. Wat er daarna nog van overblijft, dient als brandhout.

Over een boom die zo daadwerkelijk deel uitmaakt van het dagelijks leven in Gambia, zijn natuurlijk ontelbare legenden in omloop. Zo schijnt men vroeger de lijken van misdadigers, die onwaardig waren bevonden om in een gewoon graf gelegd te worden, in de uitgeholde stam van de baobab ‘begraven’ te hebben. De reizende Griots (geschiedenis-dóórvertellers, te vergelijken met troubadours en minstrelen) mochten in de stam van de boom uitrusten van hun reizen. De verhalen gaan niet zover dat er duidelijkheid komt over de vraag of er in zo’n geval sprake was van dezelfde baobab.

Andere gewassen
Een belangrijk gedeelte van de begroeiing langs de rivier Gambia, tot ver landinwaarts, wordt gevormd door mangrovebossen. In Gambia wordt meestal gesproken over mangrovemoerassen. Dat is dan ook de naam die de werkelijkheid het best benadert. Als je de bomen ziet, denk je al gauw met struiken te maken te hebben. Bij nadering ontdek je dat deze in het water wortelen en dat de wortels voor een belangrijk deel boven water uitkomen. Op veel plaatsen komt bij eb het slik te voorschijn, kortom, het geheel krijgt alle uiterlijke kenmerken van een moeras met struiken. De mangrove wordt slechts enkele meters hoog. Het is een verblijfplaats voor tientallen vogelsoorten, vissen en reptielen.

De laatste decennia is de hoeveelheid bos in Gambia met bijna 35% afgenomen. Een belangrijke oorzaak daarvan is de verbranding ervan door de bevolking voor de vervaardiging van houtskool, nog steeds de belangrijkste product voor het vuur bij het bereiden van de maaltijd. Deze vorm van ontbossing is weliswaar verboden, maar komt nog veelvuldig voor. Verder is er veel bos simpelweg omgehakt om plaats te maken voor landbouwgrond en compounds. Ook de ontginning ten behoeve van landuitbreiding is aan regels gebonden, maar ja, wat zijn regels in Gambia. Het dagelijks leven stelt vaak andere prioriteiten.

Bij de lagere gewassen valt vooral het olifantsgras op. Men ziet onmiddellijk waar het zijn naam aan ontleent. Het is een geweldig hoge grassoort dat als onkruid overal te voorschijn komt waar men het niet kan gebruiken. Op het platteland een plaag voor elke boer. Natuurlijk vindt men ook vrijwel alle bekende bamboesoorten in Gambia. De loten ervan zijn een delicatesse voor vele diersoorten. Het bamboe zelf wordt, behalve als basismateriaal voor huizenbouw, óók gebruikt om er houtskool van te maken, maar dat is eveneens verboden.

Bloemen zijn er volop in het land. Het is opmerkelijk hoe vaak bijzonder felgekleurde bloemen langs de openbare weg, dik onder het rode stof van die weg, tóch kans zien om je van hun schoonheid te overtuigen. In de tuinen van de hotels groeien planten die u thuis in de vensterbank koestert, soms hemelhoog. Een opmerkelijke verschijning is de vuurballelie (Scadodox multifloris), bij de Gambianen bekend als Ba Jarbo. U ziet deze prachtige rode kogel op veel vochtige plaatsen groeien en bloeien, bijna het gehele jaar door. De hibiscus of chinese roos zie je, met bloemen die twee tot drie maal groter zijn als die bij u in de vensterbank, tegen als afscheiding, als een soort heg. Het gaat te ver om alle pracht en praal van de Gambiaanse flora uitputtend te noemen, maar als je een liefhebber bent, dan komt je in dit land meer dan uitgebreid aan je trekken. Ook als je de North Bank Division of Central River Division bereist, met streken die droog en dor lijken (Gambia is voor een gedeelte één van de zogenoemde “Sahel-landen”), ontdek je dat de uitbundigheid van de natuur je overal tegemoet komt.

Een gewas dat zeker apart vermeld dient te worden is de kinine-plant. Het is een halfhoge struik waaraan (óók al) geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Het sap uit de dikke bladeren wordt gebruikt om wonden snel te laten genezen. Een blad of stengel in de wieg of op het lichaam van een baby, beschermt deze tegen ziekten. Dat alles bij elkaar maakt de kinine niet tot een uitzondering; aan vele planten worden dezelfde of soortgelijke eigenschappen toegekend. De kinine onderscheidt zich vanwege het feit dat de takken van de plant worden gebruikt om op te kauwen. U ziet vaak Gambianen met een stokje in de mond lopen, dat ze in de mond van de ene naar de andere kant bewegen. Ze houden het altijd in hun mond, behalve tijdens de maaltijden. Met die stokjes reinigen ze hun gebit en bovendien beschermt het hen tegen ziekten, met name malaria. Men gebruikt de bladeren van de kinine om een straf drankje tegen deze ziekte te brouwen. In een halve liter water worden de bladeren langdurig gekookt. Het resultaat is een drankje dat zo bitter is als gal. Heeft men dit eenmaal naar binnen gewerkt dan is men, naar wordt beweerd, 3 jaar immuun tegen malaria.
En als je kiespijn hebt, spoelen met water waarin de bast van de overal aanwezige cashewnootboom is meegekookt laat je klachten op slag verdwijnen. Probeer trouwens de vrucht eens te eten, da’s een stuk lekkerder. In het seizoen zijn cashewnoten tegen een spotprijsje overal te koop.

Er is nog geen definitieve inventarisatie gemaakt van alles wat er in Gambia groeit en bloeit. De laatste tellingen wijzen op een aantal boven de 1.000. Daarin zijn dan begrepen de bomen, struiken, kruiden, grassen en bloeiende planten. Het onderzoek naar de flora van het land gaat onverminderd door, maar het zal nog vele jaren duren voordat een min of meer complete lijst beschikbaar is.

In de droge tijd zijn bosbranden in Gambia aan de orde van de dag. Het gebeurt maar zelden dat men tot blussing ervan overgaat. De natuur herstelt zichzelf. Door het ontbreken van wind dooft het vuur zodra het bij een weg komt of op een plaats waar gewassen ontbreken. Als je rondreist zul je op vele plaatsen worden geconfronteerd met stukken land waarop zwartgeblakerde bomen mistroostig getuigen van hetgeen zich hier heeft afgespeeld. Je moet er evenmin vreemd van opkijken als je een smeulend bos ziet. Ook de landerijen branden, maar dat is meestal vanwege het feit dat men met de as van de veldresten de aarde bemest voor het volgende akkerbouwseizoen. Dat er bij deze vorm van bemesting wel een iets mis gaat laat zich raden.

Fauna
Gambia is geen land waar men safari’s organiseert zoals je die ongetwijfeld uit Kenia of Zuid-Afrika kent. Vogelsafari’s zijn echter aan de orde van de dag. Het land is een paradijs voor de vogelliefhebber en je komt overal de meest exotische vogelsoorten tegen. Regelmatig worden er nieuwe soorten ontdekt. Tot heden telde men meer dan 530 verschillende soorten vogels. Sommige ervan komen alleen in Gambia voor. In het Abuko Nature Reserve alleen al, hebben zich permanent een 280-tal verschillende vogelsoorten gehuisvest. In de parken van de hotels, voor zover aanwezig, waan je je soms in een tropische volicre. Maar ook langs het strand, in de mangrovemoerassen en aan de grens met de woestijn, zie je prachtige en voor ons totaal onbekende vogels. Wil je de vogels van nabij bekijken dan moet je er ’s morgens vroeg bij zijn of ’s avonds tussen licht en donker. De meeste vogelsafari’s vinden in de ochtend plaats. De verrekijker dus niet vergeten, voor het bekijken van vogels is dit een bijna verplicht instrument. Als je foto’s wilt maken is een telelens eveneens onmisbaar.

Voor het bekijken van groot moet je naar de nationale parken. Maar zelfs daar tref je slechts enkele exemplaren aan, meestal simpeler gehuisvest dan de wilde dieren in onze dierentuinen. De laatste giraffe verdween uit Gambia aan het einde van de 19e eeuw en de laatste olifant aan het begin van de vorige eeuw. Diverse buffelsoorten en antilopen zijn ooit aanwezig geweest, maar grotendeels door de mens verdreven of uitgeroeid. Het zijn overigens niet alleen, of misschien juist wel niét, de blanken die dit op hun geweten hebben. Het verhaal gaat dat nog niet zo lang geleden een luipaard geschoten werd door een inlandse stroper. Tot verbazing van velen ontdekte men in 1996 in het Kiang West National Park eveneens sporen van luipaarden. Er zijn ook hardnekkige geruchten over de aanwezigheid van leeuwen en in de rivier Gambia leven, dieper landinwaarts, nijlpaarden en krokodillen. De twee laatstgenoemde zijn met een goede gids nog wel te vinden. Nabij Kanilai is een safariperk met diverse wildsoorten die in het verleden in Gambia voorkwamen. Stel je je er echter niet teveel van voor, je kunt een safari meeemaken vanuit de Sindola Safari lodge.
Voor het ontdekken van apen daarentegen, zul je weinig moeite behoeven te doen. Er leven verschillende kleinere apesoorten in Gambia en ze bevinden zich bijna overal. Er schijnen ooit zelfs exemplaren gesignaleerd te zijn op de Denton Bridge, de belangrijkste verkeers-ader naar Banjul. Als je op stap bent door de bossen of door de kreken zul je ze zeker tegenkomen. Ze steken de weg over of volgen je vanuit de boomtoppen. Let op: ga nooit alleen achter een groep bavianen aan om leuke plaatjes te schieten! Verder leven er nog wat kleine antilopesoorten in Gambia, wilde zwijnen (‘aardvarkens’) en wrattenzwijnen.

Het overige wild zul je laag bij de grond moeten zoeken. Slangen komen veelvuldig voor en er zitten gemene soorten tussen. Het is heel moeilijk om ze te zien. Ze zijn razendsnel verdwenen op het eerste teken van naderend onheil, het is een zeldzaamheid dat je ze écht kunt zien. Hoewel, óók in de parken rond de hotels leven slangen, al zul je de diverse soorten reuzenhagedissen heel wat vaker zien. Als je een slang ontdekt bij het hotel, waarschuw dan een bewaker of een bediende. Houd er rekening mee dat Gambianen een panische angst hebben van slangen en dat heeft alles te maken met het verhaal van Ninkee Nankaa.

Ook in het water komen slangen voor, enkele eveneens met een dodelijke beet. Er zijn echter genoeg andere vissen die je met hun stekels of vinnen lelijk kunnen beschadigen, of zelfs (tijdelijk) verlammen. Dat is een belangrijke reden om niet zonder begeleiding van een deskundige de hengelsport te beoefenen. In de wateren voor de kust, in de rivier Gambia en in de kreken door de mangrovegebieden leven de meest exotische vissoorten, al moet je daarbij niet in de eerste plaats denken aan de kleurrijke soorten die rond het koraal in tropische wateren aangetroffen worden. Het gaat in Gambia soms om zeldzame soorten, zoals bijvoorbeeld de gitaarvis (lijkt sprekend op een vriendelijk ogende balalaika), de kwakende frog(kikker)vis of de longvis. De modderkruiper, bepaald geen onbekende in de moerassen, gebruikt zijn vinnen om zich over de modder voort te bewegen en ziet zelfs kans om in bomen te klimmen. Natuurlijk herbergen de wateren ook grotere diersoorten. Als je een tocht maakt over de rivier Gambia, dan zul je vrijwel zeker dolfijnen ontmoeten. Als gevolg van het ontbreken van barricres in de rivier is deze tot zo’n 150 r 180 km (in het droge seizoen zelfs tot 240 km) uit de kust zout tot brak. Hogerop in de rivier komen nijlpaarden voor. Vanuit het Baobolong Kamp op JanjangBureh Island worden avond-excursies georganiseerd, speciaal gericht op nachtvogels. Het is bepaald geen uitzondering dat je gedurende zo’n uitstapje nijlpaarden ontmoet. In deze omgeving vind je trouwens op vele plaatsen sporen van nijlpaarden die aan land gegaan zijn. Als je nog geen krokodillen gezien zou hebben in het natuurpark in Abuko of in de krokodillenpoel in Bakau of Berending, dan biedt de rivier je wellicht de mogelijkheid om die achterstand in te halen. In de rivier Gambia komen verschillende soorten krokodillen voor, waaronder de nijlkrokodil. Een reden om voorzichtig te zijn met het nemen van een verfrissende duik in de rivier.

Er wordt nog steeds onderzoek gedaan naar de fauna van Gambia en het zal nog jaren duren voordat men een compleet overzicht heeft. Tot nu toe ontdekte men:
– 3 soorten grotere zoogdieren t.w. nijlpaard, wrattenzwijn en gevlekte hyena
– 58 soorten kleinere zoogdieren waaronder 37 soorten vleermuizen
– 560 vogelsoorten waarvan er tenminste 220 in Gambia broeden
– voor de kust en in de rivieren voelen zich meer dan 620 vissoorten thuis
– er zijn 72 soorten reptielen geregistreerd, waaronder 4 soorten zeeschildpadden, 7 soorten zoetwaterschildpadden, 2 soorten landschildpadden, 17 soorten hagedissen, 3 soorten krokodillen en maar liefst 37 soorten slanen
– de 33 soorten amfibieën tenslotte omvatten 4 soorten padden en 29 soorten kikkers.

Nationale parken
Gambia kent verschillende nationale parken en natuurreservaten. Het meest bekend en ook voor het publiek geopend is het Abuko Nature Reserve, waarover elders meer. Het Baboon Island National Park, westelijk van JanjangBureh, is gedeeltelijk voor het publiek gesloten. De naam doet vermoeden dat je hier veel bavianen mag verwachten en dat is ook zo, maar die komen ook elders in Gambia ‘gewoon in het wild’ voor. Belangrijker is dat hier de enige overgebleven chimpansees in Gambia leven.

Het Kiang West National Park is niet voor het publiek gesloten. Integendeel, het ontvangt jaarlijks zo’n 1.500 a 2.000 bezoekers. Met z’n 11.000 hectare is het het grootste natuurpark in Gambia dat, tegen betaling, toegankelijk is. Het beschikt o.a. over een bezoekerscentrum waar, eventueel met behulp van films, een indruk gegeven wordt over flora en fauna in Gambia. Het best kun je het park onder begeleiding van een goede gids bezoeken. Als je een bezoek brengt aan het Tendaba Camp, dan is een uitstapje naar het K.W.N.P., zoals het park doorgaans genoemd wordt en vermeld staat, meestal inbegrepen. Als je het park op eigen gelegenheid gaat bekijken, doe dat dan met een uitrusting en kleding die aan de tropen zijn aangepast. Vergeet nooit om (veel) water mee te nemen. Het is zelfs toegestaan om in het park te koken en te overnachten, maar slechts op aanwijzing en na voorafgaande toestemming van één van de parkwachters. Op elke toegangsweg naar het park is men bekend met de plaats waar je een parkwachter kunt vinden. Het park is toegankelijk vanuit een vijftal dorpen: Jali, Kolikunda, Baljana, Batteling en (vanaf de hoofdweg, dus het meest voor de hand liggend) Dumbuto. Je vindt in het park diverse soorten tropisch woud, mangrove-moerassen en andere landschappen, zoals savannen. Het vogelleven is in deze omgeving bijzonder rijk. Het is dan ook geen toeval dat het symbool van het park gevormd wordt door een vogel, de bateleur eagle, een adelaarssoort. Dankzij het feit dat vele park- en natuurwachters zich met dit fraaie stuk natuur bezighouden, worden regelmatig vogelsoorten ontdekt waarvan men niet wist dat deze ook in Gambia voorkwamen. Zo werd in 1995 de Lachende Valk (Laughing Falcon: Herpetotherus Cackinnans) voor het eerst waargenomen. Het is een slangeneter, waarvan men dacht dat deze voornamelijk in Mexico en Argentinie voorkwam.
In het park komen tientallen slangensoorten voor, maar ook apen, aardvarkens en ander klein wild. Er zijn sporen ontdekt van luipaarden. De meeste gidsen zullen je vertellen dat je antilopen te zien krijgt, maar deze zijn, na een grote bosbrand in 1974, niet meer waargenomen.
Enkele jaren geleden ontdekte men In het park de restanten van een Portugese handelspost. Het weinige dat er van over is (een stenen trap die ooit toegang tot de post gaf), is sinds april 1996 bereikbaar. De nederzetting werd in 1816 verlaten. In Batteling bevindt zich een viertal kanonnen, afkomstig van een Portugees schip dat ooit in de rivier is gezonken. Oorspronkelijk waren het er vijf, in verschillende maten, maar het kleinste is gestolen.

Het Abuko Nature Reserve, op voorstel van de Engelsman Brewer, in 1967 door de vroegere president Jawara gesticht, is een echt stuk natuur gebleven. Je kunt er kennismaken met de jungle zoals die behoort te zijn. Een bijna 3 km lang pad slingert zich door dit stuk ongerepte natuur, waar je de meest uiteenlopende bomen en struiken kunt bewonderen. Lianen slingeren zich langs en tussen ander groen door en de geweldige oliepalmen, die hier tot ruim 30 meter hoog groeien, zijn blikvangers van de eerste orde. Het reservaat is vooral bekend vanwege het grote aantal vogels dat het herbergt. Recente tellingen spreken over meer dan 280 verschillende soorten. Aan het einde van het pad is een aantal gebouwtjes opgetrokken, waarin zich, behalve een kiosk voor verfrissingen, onderkomens voor de dieren bevinden. Je vindt er leeuwen (er bestaat een uitwisselingsprogramma met de Beekse Bergen nabij Tilburg), hyena’s, antilopen en diverse kleine katachtigen. Er is, uniek in de wereld, een revalidatiecentrum voor apen. Speciaal opgeleide trainers leren hier chimpansees en gorilla’s die in gevangenschap geboren zijn, zich aan te passen aan de omgeving waarin hun voorouders geboren zijn, waarna ze weer in het wild kunnen worden uitgezet. De chimpansees gaan naar hun soortgenoten op Baboon Island, gorilla’s worden in de tropen ondergebracht. Dierentuinen uit de gehele wereld participeren in dit project.
Op weg naar de verfrissingen passeer je een krokodillenpoel. De watervoorziening in deze poel was aanvankelijk natuurlijk, maar is thans aangesloten op de openbare watervoorziening. Aan de rand van de poel is een uitkijkpost, waarin tevens allerlei informatie wordt verstrekt over het reservaat en van waaruit je ongestoord de krokodillen en de overal aanwezige vogels kunt bekijken. Tijdens de tocht door het reservaat zul je soms opgeschrikt worden door geritsel in de toppen van de bomen, waar apen hun onderkomen gevonden hebben. Voor (zo die er al zijn) liefhebbers van spinnen: de grootste spinnen die hier werden aangetroffen, waren, gemeten over de buitenkant van de poten, ruim 11 cm. Hun web overspande een opening van ruim 5 meter. Er is maar één pad, zodat je het park rond loopt. Er is zóveel variatie, dat je geen moment het idee hebt alles voor de tweede maal te zien. Een verrekijker niet vergeten!

Er zijn nog enkele plaatsen die niet tot de nationale parken gerekend mogen worden, maar die zeer de moeite waard zijn om te bezoeken en gemakkelijk bereikbaar zijn.
In de directe omgeving van het Sunset Beach hotel, het Palm Beach hotel en het Badala Park Hotel zijn stukken land die tijdens vloed onder water lopen. Als het water zakt vallen deze gebieden droog, maar blijven er tientallen soorten kleine zeediertje, kleine visjes, e.d. achter. Hetzelfde gebeurt tussen Bakau en de doorgaande weg Banjul-Serekunda, een gemakkelijk toegankelijk gebied. Als je op je gemak vogels wilt observeren of fotograferen, dan zijn dit gebieden die aan te bevelen zijn. Luilekkerland voor vogels en voor vogelliefhebbers. Nabij de genoemde hotels kun je een gids inhuren die gespecialiseerd is in de vogels die je er aantreft.
Het Bijilo park, gelegen nabij Kololi, wandelend bereikbaar vanuit de hotels in Kololi herbergt eveneens een schat aan vogelsoorten. Bovendien zijn ook hier de apen goed vertegenwoordigd. In de vroege ochtend is het een lustoord voor de vogelliefhebber die via aangelegde paden een wandeling door het park maakt.

Op veel plaatsen ziet men de zg. Forest Parks. Deze zijn opgezet met buitenlandse hulp, w.o. uit Duitsland, om te voorkomen dat Gambia kaalgekapt werd. De parken zijn eigenlijk productiebossen en meestal niet toegankelijk zonder begeleiding van een boswachter. De houtopbrengst wordt hoofdzakelijk voor constructiedoeleinden, zoals huizenbouw e.d. gebruikt. Het overschot wordt geëxporteerd. De bewoners van de dorpen die in de nabijheid liggen, zijn vrij om er hout uit te betrekken voor het vuur om de maaltijden te bereiden. De verkoop ervan door de dorpsbewoners is niet toegestaan, omdat de houtvesterijen zélf de verkoop van het overtollige hout regelen. Bij enkele forestries, onder andere die bij Dumboto, vind je ook een orchideeënkwekerij.

De Gambiaanse regering wordt ook steeds zuiniger op de mangrovemoerassen langs de rivier. Omdat het een inkomstenbron is voor honderden gezinnen (oesters!) heeft men de regels rond de betreding ervan nog niet al te scherp gesteld. Men spreekt dan ook over reservaten, in Gambia specifiek aangeduid als wetlands. Op veel plaatsen, zoals bijvoorbeeld in de wetlands tegenover Tendaba door het Baobolong Wetland Reserve, worden boottrips georganiseerd. Op een uiterst ontspannen wijze vaar je door unieke natuurgebieden, veelal bewoond door tientallen vogelsoorten, honderden hagedissen in vele soorten en maten en duizenden slijkspringers en krabben.

Winkelen en souvenirs
Gambia is een land waar afdingen moét. Met uitzondering van winkels waar artikelen tegen vastgestelde prijzen te koop worden aangeboden, zoals o.a. in supermarkten, ding je overal af. Dat is vaak een gevoelskwestie. Als uitgangspunt kun je nemen dat een aangeboden artikel nooit meer dan de helft van het gevraagde bedrag hoeft op te leveren, soms nog minder. Zoals gezegd, je moet er even gevoel voor krijgen en je moet er zin in hebben. Begin niet de eerste dag al met het inslaan van souvenirs, maar wacht tot je wat meer kijk op de manier van handelen én op de prijzen gekregen hebt. Ook een bezoek aan winkels met vastgestelde prijzen, of een boetiek in een hotel, geeft al een aardige indicatie. De artikelen die je bij de ambulante handel koopt zijn vaak van uitstekende kwaliteit en het is zeker niet zo dat je in een winkel met vastgestelde prijzen betere kwaliteit kunt verwachten. Sterker nog, de artikelen die je daar aantreft zijn soms van dezelfde maker als die je onderwg aangeboden krijgt.

In Gambia zul je tevergeefs zoeken naar warenhuizen. De winkels zijn klein, hoewel in de omgeving van hotels vaak goed verzorgde en leuk gesorteerde winkels zijn. Super- en minimarkten vind je overal en het inslaan van o.a. levensmiddelen, drank, snoep en brood, geeft geen enkel probleem. Niet altijd is er van alles in even grote hoeveelheden voorhanden. Normale levensmiddelen zijn altijd voldoende aanwezig. Vers brood is niét altijd voorradig en het tijdstip waarop de leverancier daarvan komt, wil nog wel eens onduidelijk zijn. Op de terreinen van de hotels of in de onmiddellijke omgeving ervan, vind je altijd wel een super- of minimarkt. Let er echter op dat de prijs voor hetzelfde artikel behoorlijk uiteen kan lopen. In en rond de hotels zijn de prijzen voor hetzelfde artikel vaak stukken hoger dan die je moet betalen als je de moeite neemt even het terrein te verlaten. Ook sterke drank koop je gewoon in de supermarkt, maar de prijs daarvan kan overál hoger liggen dan die welke je gewend bent te betalen. In Gambia moet dit allemaal ingevoerd worden, de sortering varieert. Hoe groter de supermarkt, des te groter de sortering. Bier en frisdrank koop je eveneens in de supermarkt, het aanbod daarvan, veelal in blik, laat over het algemeen niets te wensen over. De meeste supermarkten hebben grote koelkasten staan, waaruit je de dranken gekoeld kunt betrekken, zónder prijsverhoging. (Let erop dat te koud drinken je een paar dagen narigheid kan bezorgen!) Uiteraard kun je in elke supermarkt terecht voor het belangrijkste artikel: water.

Voor souvenirs, hoewel in de boetieks rond de hotels óók te koop, ga je de straat en de markt op. Natuurlijk kom je niet zonder houtsnijwerk uit Gambia terug. De meest uiteenlopende voorwerpen worden er uit hout gemaakt. Er wordt ook veel zilver aangeboden, maar je moet er rekening mee houden dat het zilver, meestal kunstig bewerkt, vaak ‘zilver’ is. Verder kunt je goedkoop en goed maatkleding laten maken. Als je van batik houdt zit je in Gambia helemáál gebeiteld. Je kunt lappen stof kopen of (eventueel op maat gemaakte) jurken, shirts, e.d.. Betalen ná aflevering! Als je er verstand van hebt is het ook mogelijk om zélf stof uit te gaan zoeken en er door een kleermaker een kledingstuk van te laten maken. De meeste hotels hebben wel een adres van een goede kleermaker, maar als je de markt op gaat zie je er tientallen het vak uitoefenen. Als je zelf kijkt wat ze presteren hoef je niet op het oordeel van anderen af te gaan.