Het parlement
Gambia is een republiek met aan het hoofd een president. Het kent maar één kamer, samengesteld uit 48 leden (precies evenveel als er administratieve gebieden zijn). De leden zijn gekozen door het volk voor een periode van vijf jaar. De National Assembly, zoals het parlement genoemd wordt, wordt verder aangevuld met vijf vertegenwoordigers uit de kringen van chiefs (districtshoofden), aangewezen door de president. Er zijn ook nog acht leden die geen stemrecht hebben: vijf plaatsvervangend leden, een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en de minister van Justitie.

De gang van zaken binnen het parlement lijkt sterk op die van het Britse Lagerhuis. Het waren dan ook de Britten die vorm gaven aan de republiek.

Onafhankelijkheid
Op 4 oktober 1963 startte men met de voorbereidingen voor de onafhankelijkheid, die op 18 februari 1965 een feit werd. Op 24 april 1970 werd de republiek Gambia uitgeroepen. Alles bleef overigens bij het oude, slechts de naam van de hoofdstad werd gewijzigd van Bathurst in Banjul, de bijnaam van Alexander Grant, de officier die ooit het eiland voor de Britten kocht. Deze naamsverandering werd pas in 1973 doorgevoerd.

Politiek
Op 22 juli 1994 werd de eerste president van Gambia, Sir Dawda Kairaba Jawara, afgezet door militairen onder verdenking van corruptie. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard voor zover deze zich in het land bevonden en Jawara werd verbannen. Een onderzoek heeft uitgewezen dat vele bezittingen van Jawara zich in het buitenland, vooral in Groot-Brittannië en Zwitserland, bevinden. De Britten zaten flink met het incident in hun maag, Jawara was een aantal jaren voor de staatsgreep door de Britse vorstin in de adelstand verheven. Hij werd opgevolgd door de leider van de staatsgreep: luitenant (later kapitein en ten slotte kolonel) Yahya A.J.J. Jammeh. Deze beloofde binnen een tijdsbestek van drie tot zes maanden algemene verkiezingen uit te schrijven en de democratie te herstellen. Op 11 november 1994 kwamen enkele militairen in opstand tegen de leider. Tijdens korte schermutselingen die zich overigens uitsluitend in de garnizoensplaats (en zelfs binnen het garnizoen) Bakau afspeelden, kwam een aantal opstandelingen om het leven. De rust binnen het garnizoen was snel hersteld. De zittende president kondigde aan dat de algemene verkiezingen in 1996 plaats zouden vinden en dat hij tot dat tijdstip in functie zou blijven. Groot-Brittannië greep toen in en haalde als dwangmaatregel alle Britse toeristen terug, daarin gevolgd door Denemarken en de Scandinavische landen. De Gambiaanse regering beloofde haast te maken, waarop de Britten toezegden in november 1995 het toerisme naar Gambia weer toe te staan. Het advies om niet naar Gambia te reizen werd overigens begin 1995 al weer ingetrokken. De toeristenindustrie, in die tijd voor 60% van Groot-Brittannië afhankelijk, lag toen al vrijwel stil. Diverse hotels moesten hun poorten sluiten.
Een andere lezing noemt het openen van onderhandelingen met Libië om te komen tot diplomatieke betrekkingen met dat land als belangrijkste oorzaak voor de Britse maatregelen. De onderhandelingen waren overigens reeds beëindigd vóór dat de maatregelen van kracht werden.

Ongeacht de juistheid van welk verhaal dan ook en ondanks het feit dat Jawara via de buitenlandse pers en tv-stations (w.o. in Duitsland) opriep om niet naar Gambia te gaan vanwege ‘het grote gevaar’, was er van enige onrust in het land, noch in 1994, noch in de daaropvolgende jaren iets te merken. Via de dagbladen in Gambia werd uitgebreid verteld over de vele wandaden die Jawara had begaan. De Gambianen, voor een belangrijk deel afhankelijk van de toeristenindustrie, zijn zuinig op en vriendelijk tegen hun toeristen. Bovendien hebben de meeste Gambianen wel andere zorgen aan hun hoofd dan politiek.

Direct na de staatsgreep werd een interim-regering gevormd, de A.F.P.R.C. (Arm Forces Provisional Ruling Council = tijdelijk militair bewind) onder leiding van Jammeh. Hij werd op belangrijke posten bijgestaan door enkele militairen, tweederde deel van de parlementsleden van burgerafkomst was. Er werden o.a. maatregelen genomen om de toeristenindustrie minder van Groot-Brittannië afhankelijk te doen zijn. Onder leiding van het tijdelijke militaire bewind werden algemene verkiezingen voorbereid, de aanvankelijke belofte dit binnen zes maanden te realiseren was uiteraard niet haalbaar. Er ontbrak bijvoorbeeld een kiezersregister, noodzakelijk om de verkiezingen goed te laten verlopen en Jammeh wist de ogen van met name de westerse wereld op zich gericht. Er werd een datum in 1996 bepaald, maar ook dit bleek geen haalbare kaart, hoewel het kiezersregister in dat jaar tot stand kwam, overigens na vele administratieve problemen. Het belangrijkste uitvloeisel hiervan is de indeling in zeven ‘administratieve gebieden’: Banjul, Kanifing, Brikama, Kerewan, Mansa Konko, JanjangBureh en Basse. Tussen 13 mei en 22 juni 1996 werden alle personen van 18 jaar en ouder in de gelegenheid gesteld zich te laten registreren als kiesgerechtigde. Met een identiteitsbewijs, bijvoorbeeld een uittreksel uit het geboorteregister of een paspoort, diende men aan te tonen de Gambiaanse nationaliteit te bezitten. Door inschrijving in het register werd men gerechtigd deel te nemen aan presidentsverkiezingen, algemene verkiezingen en volksraadplegingen.
Toen er in de kazerne in Farafenye enkele militairen in opstand kwamen tegen het voornemen van Jammeh om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap trad Jammeh, nadat de schermutselingen de kop ingedrukt waren, als militair leider terug, echter niet nadat hij tot kolonel bevorderd was (nog steeds wordt de president aangeduid als: Rtrd. Col). Het komt overigens regelmatig voor dat personen die het oneens zijn met het bewind proberen de macht aan zich te trekken. Als toerist merk je daar weinig tot niets van, het komt zelfs slechts weinig naar buiten. In de nacht van 14 op 15 januari 2000 bijvoorbeeld, was het even onrustig. Het incident werd weliswaar wereldkundig gemaakt, maar de buitenlandse pers heeft er nauwelijks aandacht aan besteed. Jammeh zelf sprak dreigende taal voor de televisie, waarbij hij zijn militaire achtergrond allerminst verloochende.

Er werden vele grondwetswijzigingen doorgevoerd, in augustus 1996 middels een referendum door de bevolking goedgekeurd, er werden presidentsverkiezingen gehouden en Jammeh werd met grote meerderheid gekozen. Hij was inmiddels behoorlijk populair, met name in het dichtbevolkte kustgebied, vooral vanwege zijn ambitieuze infrastructurele plannen die hij trouwens voortvarend ter hand genomen had. Binnen een paar jaar waren vele straten in Banjul behoorlijk geplaveid en de open riolen praktisch verdwenen. Degenen die nog aan zijn religieuze opvattingen mochten twijfelen, snoerde hij de mond door een pelgrimstocht naar Mekka te maken, zodat hij ook de moslimtitel Alhadji mocht voeren. Op 18 oktober 1996 werd Jammeh als president ingehuldigd. In zijn toespraak maakte hij duidelijk dat de inhoud van het volkslied (in vrede en vrijheid een rechtvaardige samenleving met respect voor de andere volkeren) met grote voortvarendheid in praktijk zou worden gebracht en gehandhaafd. De algemene verkiezingen vonden plaats op 2 januari 1997, waarbij de partij van president Jammeh als grote winnaar uit de (stem) bus kwam. In 1999 werd aan Jammeh een eredoctoraat uitgereikt door een Canadese universiteit. De gronden waarop men meende tot de uitreiking hiervan te moeten overgaan zijn nooit duidelijk geworden, waarschijnlijk had het te maken met de verleende concessies om in Gambia naar olie te boren. Ook deze titel wordt op elke aankondiging vermeld, zodat de titulatuur over het algemeen meer ruimte op een affiche inneemt dan de naam. In de jaren na de verkiezingen heeft Jammeh’s populariteit een geweldige deuk opgelopen. Niet in de laatste plaats als gevolg van het feit dat hij in zijn eerste verkiezingscampagne aanmerkelijk meer beloofde dan dat hij (kon) waarmaken. Langs de kust is de infrastructuur belangrijk verbeterd, maar in het binnenland (en dat begint niet ver van de kust) is men nog steeds verstoken van elektriciteit. Gambianen morren, maar worden nauwelijks gehoord. De oppositie evenmin trouwens, ze heeft nauwelijks toegang tot de media die wel dagelijks worden gevoed met berichten uit het Jammeh-kamp. Jammeh verspeelde veel buitenlandse sympathie als gevolg van het feit dat hij nauwe betrekkingen aanknoopte met Libië en zijn innige omarming met de islam. Investeerders bleven weg, mede als gevolg van het feit dat Gambia veel te hoge eisen stelde aan de normen waaraan een investering moest voldoen. Wat te denken van het feit dat iemand die een hotel in Gambia wil bouwen alleen welkom is als het om een vier- of vijfsterrenhotel gaat?

 


Het monument ter ere van de staatsgreep op 22 juli 1994 van de huidige president heet Arch 22. en staat in Banjul. Het is een soort moderne versie van de Arc de Triomphe in Parijs en het hoogste gebouw in Gambia.

Lokale structuur
De lokale structuur wordt gevormd door de Alkali, de Council of eldest, de Village Development Committee en de School Management Committee.